In de vierdelige programmaserie De getuigen van 1953 vertellen ooggetuigen hun verhaal over de watersnoodramp van 1953. De reeks De getuigen van 1953 is in nauwe samenwerking met het Watersnoodmuseum in Ouwerkerk tot stand gekomen. Een deel van de getuigenissen is in de speciale radio-uitzending 'Nacht van de ramp' van 31 januari 2013 te beluisteren. Alle opgenomen getuigenissen zijn ook in het Watersnoodmuseum te zien.

Meer over de Watersnoodramp:

Watersnoodramp|Boven Water|Nacht van de Ramp
|Trugkieke 1953

 

Poesjes blijven achter

Marry Kloet - de Vlieger is vier jaar als het gezin wordt overvallen door het water. Ze overleeft de ramp dankzij kordaat ingrijpen van haar vader. Rinus de Haan is op het moment van de ramp 17 jaar. Hij vlucht met zijn ouders en broer naar zolder als het water komt. Het huis stort in en er volgt een dramatische overlevingsstrijd. Rinus praat voor het eerst over de gebeurtenissen van toen. Maddy de Looff-Kuiper (12) brengt twee angstige nachten door op de zolder van het ouderlijk huis in Stavenisse. Ook de twee poesjes voegen zich bij het gezin. Maar tot haar grote verdriet moet Maddy ze achterlaten als ze worden gered.

 

Bijna fataal cadeau 

Wim Schot is 24 jaar als hij met een vriend tientallen mensen in veiligheid brengt. Ze varen door de straatjes van Zierikzee en later in de Vierbannenpolder om mensen van de huizen te halen. Anda Verloo - den Haan viert op 31 januari haar negende verjaardag. Ze krijgt een borduursetje. Een cadeau dat haar bijna fataal wordt.

 

 

Vluchten naar zolder

Riet Clement is 15 jaar als ze op 31 januari 1953 haar zus Lijgje voor de allerlaatste keer ziet. Diny van Kooten-Kloet (11) vlucht 's nachts naar zolder. Daar blijft het gezin tot zondagmiddag, maar het had niet veel gescheeld of haar vader had het niet overleefd. Hans Timmer (17) vlucht in paniek alleen het huis uit. Dat stort even later in, maar als door een wonder komt de rest van het gezin toch boven drijven. Op moeder na.

 

Varken ontsnapt aan verdrinkingsdood 

Ike Quaak is 9 jaar als Kruiningen onder water komt te staan. Het gezin vlucht naar de hogergelegen winkel van een oom. Daar schuilt Ike met zo'n 80 dorpsgenoten op zolder. Ze zien hoe een varken op wonderbaarlijke wijze ontsnapt aan de verdrinkingsdood. Janny Nijssen is 13 jaar als de polder bij Sommelsdijk onder water loopt. Het gezin zit op zolder en daar bouwt haar vader met de boerenknecht aan een vlot dat gelukkig niet nodig blijkt. Rina van Mourik - Sijrier is 22 als in de vroege ochtend van 1 februari de eerste dijk doorbreekt bij NIeuwerkerk. Ze vlucht het ouderlijk huis uit, terwijl haar verloofde Rien gaat helpen bij het gat in de dijk. Niemand kan weten dat ook de dijk bij Ouwerkerk op springen staat.

 

Luister naar de verhalen van mensen die de Watersnoodramp hebben meegemaakt:

 

Tonha Schot, geboren in Zierikzee:

De dijk werpt zich
stug en stroef
op langs 't water van de Oosterschelde
Ik loop gebogen
tegen de wind in
me vasthoudend aan die oude paaltjes
om niet uit te glijden
op de door algen en tijden
glad geworden blauwe basaltkeien
Zo woest beukt het water
de storm raast door me heen
tranen stromen als vanzelf
uit mijn ogen....
uit een collectief Zeeuws bewustzijn
snippertjes aan beelden
en vaak moeizaam uitgesproken
maar meer nog ingeslikte woorden
komt een diepe angst
en aangeboren pijn
in mij
boven water
Zou ik ten slotte
verdrinken
in de golven van oud zeer
in de tranen
die nooit mochten stromen......

 

Paul van Sluijs, Amsterdam:

Ik woonde met mijn ouders en 2 broers aan de rand van Middelburg; ik was toen
6 jaar. Het was heel slecht weer op 1 februari, het was koud maar het vroor
volgens mij niet. De zware storm hield mij wakker. Mijn ouders hadden via de
radio over de situatie gehoord. Uiteraard hadden zij de inundatie van
Walcheren nog vers in het geheugen en wisten zij hoe hoog het water zou
kunnen komen te staan bij een dijkdoorbraak. Toch waren we zondagmorgen
gerust op een goede afloop, temeer omdat er 's nachts niets was gebeurd. Van
voorbereidingen om te vertrekken was geen sprake; bovendien had het water
zijn hoogtepunt al bereikt gedurende de nacht. Wel werd kennelijk het gerucht
verspreid dat de drinkwatervoorziening mogelijk niet meer zou functioneren.
Alle beschikbare emmers, de badkuip en dergelijke werden toen gevuld met
water. Die hebben allemaal nog enkele dagen in de keuken en bijkeuken
gestaan, maar bleken gelukkig niet nodig.
Ik herinner mij dat wij een paar dagen later met de auto naar Rotterdam
gingen. Bij Krabbendijke was er een omleiding en kon je de weggeslagen
spoorlijn zien. Er lagen nog enkele dode koeien langs de weg; het beeld
daarvan herinner ik mij nog steeds.

 

Dick Quaak, Kruiningen:

De herinneringen zijn nog steeds aanwezig die nacht werden we gewekt door
onze moeder en ze vertelde dat de dijk was doorgebroken , ik was toen 6 jaar.
Het besef van de dijk is doorgebroken kon ik me nog nauwelijks iets bij
voorstellen. Dat werd die dag hard duidelijk gemaakt wat dat voor ons en onze
vrienden heeft betekend. Onze ouders dachten dat het water niet zo hoog zou
komen omdat in de oorlog het centrum van Kruiningen ook nauwelijks onder
water was komen te staan. Maar door de storm dat weekend waren de
omstandigheden wel even anders.
Mijn vader en moeder hadden een textielwinkel in het centrum van Kruiningen.
Al spoedig melden de buren zich bij ons bij hun was het water al naar binnen
gelopen bij ons nog niet. Steeds kwamen er meer mensen bij ons binnen en
tegen 6 uur waren er wel vijftig en een uur later wel tachtig, Als kind vond
ik het wel prachtig zoveel belangstelling. Plotseling ging de achterdeur open
en het water vloog naar binnen mijn vader riep dat we veilig zouden zijn op
de winkelzolder een hoog gebouw oerdegelijk gebouwd.
Inmiddels hielpen de mensen zoveel mogelijk verkoopwaar naar hoger gelegen
vakken te plaatsen en de huisinventaris werd omhoog gezet maar het water
bleef maar stijgen een beeld wat ik op de winkeltrap goed kon volgen. Vanuit
het winkelraam mocht ik op de schouders van Cornelis Riedijk naar het gat in
de dijk kijken toen pas drong het tot mij door hoe groot de ramp wel was.
Intussen kwamen rond de middag zondag morgen de eerste slachtoffers binnen zo
herinner ik me nog de naam van Marien van der Hart die in een boom de eerste
vloed had overleeft en schreeuwde het uit dat zijn vrouw verdronken was. Nu
nog kan ik die klaagzang horen hartverscheurend was dat.
Cornelis Riedijk en zijn vriendin Keetje Hamelink hebben die nacht en dag
zich ontfermd over de eerste slachtoffers met zoveel liefd dat ik me dat nu
nog goed weet .Die middag werd het weer vloed en het water kwam nog hoger
vanuit het bovenraam zie ik nog het bordje van " brandsein" bij het huis van
gemeentebode Dokus Kakebeeke dat bordje was een meetpunt hoe hoog het water
kwam steen voor steen werd het peil hoger en plotsklaps zakte het water erg
snel achteraf bleek dat toen ca. drie uur die middag het dorp waarde
onderliep.

 

Toen het hoogwater was, werd ik met het politiebootje naar de Zanddijk gebracht

De ramp meegemaakt als kind van 11jaar.
Huis weggespoeld, met pa en ma  een uur of 5 in een boom gezeten tot
een uit de koers geraakte roeiboot ons meenam naar het dorp. Daar naar
kennissen gegaan, die zelf naar Goes zijn geevacueerd en wij zijn toen niet
meer van het dorp weg gegaan. Als het hoog water was werd ik met het
politiebootje naar de Zanddijk gebracht om dan naar Schore naar school te
gaan. In de  eerste maanden gebeurde dat ook wel met een amfibievaartuig (een
duck) van het Amerikaanse leger. Een prachtige tijd , maar wel door
kinderogen bezien.

 

Marjan Kuijten, Zierikzee:

Ik ben geboren in Strijen  in de Hoekse waard. Ik was met de ramp 7  jaar en 5
maanden. Ik weet nog dat we s.nachts wakker werdwn gemaakt ons aan moesten kleden om
dat er wat ergs was een poosje later stonden mijn Grootouders bij ons in
de keuken zonder kleren aan hun nachtgoed waren ze kwijtgeraakt door het
water. Het heeft heel veel indruk gemaakt.
Een naakte opa van 150kg. We dachten dat we veilig waren mijn moeder had alle kachlels aangemaakt er kwamen steeds meer mensen. Tot 8uur s,morgens toen kwam er een muur  van mist maar het was water ik hoor nog de kachels uit elkaar springen van het koude water.

 

Jan Ligtendag

Was met ramp 14 jaar woonde in St Philipsland met vader en moeder en een jongere zus,we gingen ondanks de zware storm toch naar bed om 23 uur en rond 1 uur ging ik met vader uit bed om ons
erf te bekijken hier en daar wat vastgesjord met touwen terug naar bed op een bovenzolder met alleen een klein dakraampje.
Het werd steeds erger en rond 2.45 uur samen met pa naar de zeedijk 200 meter van ons huis. Het water stond 30 a 40 cm van de kruin van de dijk,we stonden daar met een groep mensen en
daar zakte het water bijna 50 cm, niemand dacht er bij na dat er ergens een dijkdoorbraak was. "Zo", zei vader, "dan gaan we weer naar bed",en na een tijdje ging de sirene "och" zei pa "nog een brandje ook." Ik hoor het hem nog zeggen.
Na enkele minunten hoorde hij mensen met de klompen door de straten vliegen, pa eruit en het water liep al door de straten,toen snel aankleden en een hoger gedeelte opgezocht waar we nog maar 5 minuten waren toen het water kwam. Gelukkig hebben we het overleefd maar mijn opoe van 80 en mijn oom van 37 jaar van vaders kant zijn verdronken.

 

Jeannette van Dijken - van Strien

Mijn moeder en ik woonden in 1953 in het Brabantse Heijningen en Fijnaart. Ik
was toen net 8 jaar geworden.
Op 31 januari 1953 gingen wij voor een paar dagen logeren bij mijn oom en
tante op het eiland Tholen in de plaats Stavenisse. Mijn oom was bij de
politie en had dienst die dag en avond vanwege de zware storm die al de hele
dag over Zeeland raasde.
Ik was die middag al erg onrustig en vroeg mijn moeder:  “er zal toch niks
ergs gaan gebeuren?“ waarop mijn moeder zei:  “natuurlijk niet”. De
avond viel en ik herinner mij dat een er een hond erbarmelijk en
onophoudelijk begon te huilen en te blaffen. Dit bleef constant aanhouden en
de hond werd niet stil. Toen ik naar bed moest was ik bang en hoorde nog
steeds die hond en vroeg mijn moeder opnieuw:  “mama, er zal toch geen
overstroming komen?”
Rond half elf kwam mijn oom thuis en vertelde  dat we onmiddellijk naar het
Gemeentehuis moesten gaan vanwege gevaar voor dijkdoorbraak. Het Gemeentehuis
van Stavenisse staat op het hoogste punt van Stavenisse, aan de haven.
Wat er toen allemaal gebeurde, zal ik nooit meer vergeten: Mijn tante zei
tegen mijn moeder:  “Jenny, zet je pantoffels maar op de piano, want dan
blijven ze wel droog”. Eenmaal buiten moesten we door de ijzige kou en de
zware storm, waar we tegenop moesten boksen. Het leek een nachtmerrie.  In
het Gemeentehuis, waren allemaal mensen op de bovenste verdieping.  Het water
steeg steeds verder en je hoorde het klotsen van het water tegen de trappen.
Mensen huilden, zongen psalmen en waren bang door de vloer te zakken, omdat
het daar veel te vol was. Twee lange en angstige nachten hebben we daar
gezeten en toen zijn we met bootjes door de ramen gered (zo hoog stond het
water!) en weer naar een andere boot gebracht.
Dan komt er een stukje black-out, waarvan ik nog weet dat mijn moeder, mijn
tante en ik naar een andere tante gingen voor een paar dagen en zoals het mij
verteld werd, was ik drie dagen in shock en heb ik geen woord meer gesproken.
Ik had toen nog een broer in Den Haag wonen en na ongeveer een week zijn we
naar Den Haag vertrokken. We waren alles kwijt, want in Fijnaart was ook
alles weggeslagen en verzwolgen door het water. Het is iets was je nooit
vergeet!
Vijf jaar geleden tijdens de 50-jarige herdenking ben ik voor het eerst na de
Ramp naar Stavenisse terug gegaan, naar hetzelfde gemeentehuis en er was
niets veranderd. Het was voor mij weer alsof gisteren gebeurd is…
Dit bezoek aan het Gemeentehuis in Stavenisse had te maken met een aparte
gebeurtenis: in de weken voor de herdenking heb ik veel op het internet
gezocht naar informatie over de ramp i.v.m herdenkingen en foto’s van de
ramp. Tijdens mijn zoektocht kwam ik in contact met Ko van Oeveren. Op zijn
website had hij een persoonlijk verhaal staan. Uit dit verhaal bleek dat ook
hij, in dezelfde rampnacht, zich op de bovenste verdieping van het
Gemeentehuis van Stavenisse bevond! Ik heb toen contact met hem gezocht en
door dit contact ben ik naar de herdenking op Stavenisse gegaan.
Nu, bijna 55 jaar geleden, denk ik er toch weer aan en als het stormt voel ik
me nog steeds onrustig……..

 

Diny van Kooten-Kloet, Middelburg

Zierikzee. 31 januari 1953.
Ik ben een meisje van bijna 11 jaar. Deze zaterdagmiddag gaan we naar de
Nieuwe Haven omdat het water heel hoog staat. Het stroomt over de straat en
we gaan er met de laarzen aan heerlijk in spelen. We hadden er geen idee van
wat we deze nacht nog mee zouden maken. Toen het water weer wat zakte, gingen
we naar huis om te eten en zaterdagavond te houden. Het stormde geweldig hard
en het leek wel of het nog steeds harder ging waaien. Maar toen het tijd was
om naar bed te gaan gingen we rustig, genietend onder de warme dekens van het
geweld buiten, maar de veiligheid in huis.
Wij, 4  kinderen, 2 jongens en 2 meisjes, sliepen boven en mijn ouders met
mijn zusje van 22 maanden beneden.
Rond middernacht werden we wakker door het geloei van sirenes. Het was, boven
de storm uit, angstaanjagend. Mijn vader kwam naar boven en we moesten ons
warm aankleden, want hij was al op de straat gaan kijken en hoorde dat het
water eraan kwam. Wij woonden in de Lange St.Janstraat, een straat die vanaf
de Nieuwe Haven naar beneden liep.  Maar waar wij woonden ging het weer wat
omhoog.
Zelf bracht hij mijn zusje naar boven en ging beneden aan de gang. De
wasketel waar mijn moeder de was in had gekookt, zoals dat gebruikelijk was
in die tijd op zaterdag, zette hij op de tafel. Het driepits oliestel werd
naar boven gebracht met de pan waar vlees in zat dat moeder die zaterdag had
gebakken voor de zondag en de broodtrommel met  het brood wat er was voor het
weekend.
Toen dat boven was bedacht hij ineens dat hij pas een nieuw kostuum had
gekocht. Dat was bijzonder, dus moest toch ook nog gehaald worden, want dat
hing beneden. Toen hij terug de trap op wilde, kwam het water al in huis en
de druk die daar ontstond was zo erg, dat hij de trapdeur bijna niet open kon
krijgen. Wat waren dat angstige ogenblikken. Later zei hij: onbegrijpelijk
dat ik die deur nog open kon krijgen. Wat heb je veel kracht als je in
doodsangst zit.
Daar zaten en lagen we dan op een klein kamertje met z’n allen. Gelukkig
waren er warme dekens, maar door de spanning hadden we het allemaal koud.
Het was een hels kabaal toen het water steeds verder het huis in kwam. Door
de straat kwam van alles met het water mee. Meubels en alles wat je je maar
kon bedenken. Dat klapte dan steeds tegen de muren op. Regelmatig ging mijn
vader kijken hoe hoog het water op de trap stond. Toen het bij de hoogste
tree kwam bleef het stilstaan en kwam het gelukkig niet hoger, anders hadden
we het dak op gemoeten, zoals mensen bij ons in de straat dat wel moesten.
Een aantal zijn er ook verdronken.
Wat waren we dankbaar toen het water ging zakken. Toen het licht werd en we
de straat inkeken wisten we niet wat we zagen. Zoveel kapot. De straat was
ook helemaal kapot, maar toen het water zover gezakt was, besloot mijn vader
dat we toch weg moesten, omdat bij vloed het water weer in huis zou komen.
Heel voorzichtig zijn we toen naar beneden gegaan, het was allemaal modder,
en zijn we naar opa en oma gegaan die in het hoge gedeelte van Zierikzee
woonden. Daar stond geen water. Met de weinige spullen die we hadden konden
we daar gelukkig terecht en daar zijn we tot april geweest. Tot het water
niet meer in huis kwam en we alles hadden schoon gemaakt.
Van onze familie zijn mijn overgrootmoeder en een zoon van haar, een broer
van opa verdronken. Zij woonden op Schutje en hadden nog weg gekund, maar ze
wilden niet. Ze wilden in hun huisje en bij hun spulletjes blijven. Toen de
Schelphoek doorbraak, was het huisje gelijk weg. Ze hadden niet hoeven te
verdrinken.
Maanden later zijn ze pas gevonden. Mijn vader heeft in het reddingswerk
gezeten, maar heeft er eigenlijk nooit over kunnen/willen  praten. Maar hij
heeft wel veel ellende gezien, dat konden we wel aan hem merken.
Dit zijn zo wat herinneringen aan de watersnoodramp 1953 zoals ik die heb
beleefd.

 

Joop van den Berg, Terneuzen:

“Het water komt”, riep mijn vader bij binnenkomst, nadat hij op de haven was wezen kijken. Het was rond half 3 in de nacht van 1 februari. Binnen enkele minuten stond het huis in het water. Daar zaten we: mijn vader, moeder en mijn broer van 9 en ik, net 6 geworden, lag in het grote bed met een dubbele oorontsteking en ruim 40 graden koorts. Het water steeg, we zaten in het laagste gedeelte van Zierikzee: Korte Groendal, beneden aan, waar het water van 2 kanten samenkwam.
Bijna 3 meter water in ons huis; de zolder was nu geen veilige plaats meer.
We hoorden de meubels tegen het plafond stoten, de wind gierde, de hagelstenen en de regen kletterden tegen de ramen! Angstig en bang waren we en we zaten als ratten in de val.
Een uitweg: het dak op! Mijn vader was flink en mijn moeder kleedde ons snel aan. Ik kreeg een ”kopdoek” over mijn koortsige hoofd en mijn vader sloeg het zijraam in het dak kapot.
Hij ging als eerste door het dak de dakgoot in, zodat mijn moeder, m’n broer en mij kon aangeven.
De wind blies keihard en ik bibberde van de kou en van de koorts.  Mijn vader probeerde ons op de nok van het dak te zetten; eerst mij broer en toen ik.
Ik gilde om mijn moeder, terwijl het water klotsend tegen de muur van ons huis tekeer ging. In het schijnsel van de maan zag ik uit de bakkerswinkel aan de overkant, de moorkoppen en de andere gebakjes, die over waren overgebleven van zaterdag, als dobberende bootjes op en neer gaan!!
‘Help, help mamma”, was het enige dat ik uit kon roepen .
Inmiddels had mijn vader ook mijn moeder op de nok van het dak geholpen.
Hoe vreemd : 4 mensen in nood op nummer 458D van het Korte Groendal.
Plots gilde mijn moeder:” Bram ( zo heette mijn vader ) Jopie waait weg!”
Niet ik woei weg, maar de hoed van mijn vader vloog door de lucht. Op zijn “ ‘s zondags “ aangekleed, ja met hoed, was mijn vader het dak op gegaan.
In de klotsende golven kwam een trailer, meegesleurd door de storm en de golven, recht op onze straat af. Werd dit ons einde???
Een oorverdovend lawaai!! Het huis van de overbuurman stortte in en de trailer kwam vast te zitten.
En de storm raasde maar door … Wij werden gered, maar mijn grootouders verdronken en ik keerde in september 1953, na vele omzwervingen,  terug naar mijn ouderlijk huis.

 

Adri Biersteker, Wolphaartsdijk

Toen de watersnood plaatsvond, was ik bijna 7 jaar. Ik woonde met mijn vader
en moeder in Wolphaartsdijk. Al vroeg werden we die zondagmorgen gewekt door
luid klokgelui èn door de buurman die op het achterraam bonsde. Plots was
alles in rep en roer. Mijn twee buurjongens en ikzelf liepen verdwaasd en
niet wetend wat te doen in de achtertuin, die al snel volliep vanuit de
watergang achter de Villa Novastraat.
Na een kort overleg tussen de buurman en mijn vader gingen zij redden wat er
te redden viel en wij kinderen werden naar de zolder gestuurd. Mijn moeder
was reeds begonnen met kleding, water, brood en andere etenswaren naar boven
te brengen. Vader besloot eerst de kippen te redden door ze uit hun hok te
halen en ze met wat voer op het zoldertje van de schuur te stoppen. Maar ook
kippen in het nauw maken rare sprongen en binnen vijf minuten lagen de zeven
hennen in het water, dat ondertussen al een halve meter hoog stond. Een
mislukte reddingspoging.
Onze oudste poes Pukkie was binnen en mocht , wat anders nooit toegestaan
was, op het bed in mijn kamertje. Onze andere poes Pito was echter niet thuis
en het vermoeden was, dat hij wel eens verdronken kon zijn.
Plots dacht ik aan mijn pas verworven Sinterklaascadeau: Een tanradtreintje
in een berglandschap. Een prachtig ding waar ik uren mee kon spelen en wat
gemaakt was van blik. Helaas, in alle consternatie stond hij nog op de bodem
van de kast in de huiskamer, helemaal verzwolgen door het water. Hij heeft
niet meer gereden en de kleur werd  later bruin.
Na een tijd liep mijn vader tot zijn middel in het ijskoude water en moest
stoppen. Hij kwam naar boven, trok droge kleren aan  en het wachten op
redding begon. Ze lieten ons bewust vrij lang zitten, omdat ons huis stevig
was en wij aangegeven hadden dat wij van alles voorzien waren.
Wel zagen we net bij het ochtendgloren het konijnenhok  achter ons huis
wegdrijven. Flappie, die zo goed de Kerst overleefd had, raakte in paniek
toen zijn onderkomen ging drijven en rende als een bezetene door het hok. Dit
ging rollen en zonk. Ik was nu ook mijn konijn kwijt.
's Middags om kwart voor voor vier werden we gered door een witte roeiboot
o.l.v. politieagent Bruinooge uit 's-Heer Hendrikskinderen. We werden aan
land gezet aan de Havenstraat en verder vervoerd met een Rode Kruisauto naar
de Oude Kade. Hier stond opa de Jager ons al op te wachten om ons mee te
nemen naar zijn huis in Nisse.
O ja, de poezen nog. Poes Pukkie werd in een kussensloop gestopt om
meegenomen te worden, maar ontsnapte al voor hij in de boot was en vluchtte
onder het bed. Hij werd later gered. En poes Pito werd drie weken later
gevonden in de schuur van buurman Katsman. Levend !!
Naast klein verdriet, toch ook nog klein geluk.

 

In de dijk was al een gat geslagen

Ik was een meisje van 7 jaar, de oudste van 5 kinderen, toen het gebeurde.
Mijn vader was douane in Hansweert/Kruiningen, (de sluizen scheidden deze 2
plaatsen), vandaar dat mijn Brabantse moeder, die voordat ze mijn vader
leerde kennen, nog nooit de zee gezien had, in dat “gat” terecht kwam, en
wij mede met haar!
Mijn vader, altijd aan de radio gekluisterd (en overigens de rest van zijn
leven niet anders deed dan “nieuws luisteren”), zat die bewuste avond en
nacht van 31 jan/1febr. ook zowat in de radio en..vertrouwde het zaakje niet.
Overal sloegen gaten in dijken, overstromingen kwamen op gang!
En wij, wij woonden 50 meter van een dijk af, aan de andere kant van
Kruiningen , met gevaar voor dijkdoorbraak!
Wat ik mij herinner is, dat we allemaal uit bed getrommeld werden, in een
sneltreinvaart kleren over onze pyama’s werden aangedaan, mijn 2 kleinste
broertjes in de kinderwagen werden gelegd, en wij, de 3 andere kinderen ons
vast moesten houden aan die kinderwagen.
En toen werd het met z’n allen rennen, want in de dijk was al een gat
geslagen, en het water stroomde vlak achter ons de straat in; rennen voor je
leven!
Ik kreeg op mijn kop omdat ik omkeek!
We renden zo hard als onze beentjes konden mee, naar de zus van mijn moeder
( die onder dezelfde omstandigheden als mijn moeder: getrouwd met een douane
enz.) achter de volgende dijk woonde.
Daar verzamelden zich in die nacht meerdere gevluchte mensen, zodat we
urenlang in angst voor nog meer doorbraken in dat kleine huisje wel met een
man of 30 waren. Er was nauwelijks iets te eten of te drinken voor iedereen.
Ik herinner me veel huilende kinderen!!
Mijn vader wilde weg, weg uit Hansweert. Uiteindelijk na veel gedoe, kreeg
hij een taxichauffeur zover dat hij ons als laatste ritje (er was geen
benzine meer) wel tegen een fors bedrag (naar ik later heb gehoord) weg wilde
rijden. Met z’n allen werden we in de taxi gepropt. Waar naar toe?  Goes!
Gelukkig was de hulpverlening daar al op gang gekomen en werd ons hele gezin
’s morgens vroeg in huis genomen door een echtpaar…..ergens in Goes…
Ik zou niet weten waar, en bij wie, maar ik ben de mensen die dit hebben
gedaan eeuwig dankbaar!
In de loop van die bewuste ochtend van 1 febr. kwam de melkboer daar aan huis
in zijn dagelijkse rondje. Die lieve mevrouw vroeg hem om enkele liters melk
en pap voor ons. Maar dat ging niet zomaar; alles was al op rantsoen gezet!
Ik werd, samen met een broertje naar voren gehaald om aan te tonen dat ze
“evacués” had ! Een lange gang door en terug in de keuken kregen we pap
te eten; het is mijn enige herinnering aan dat gezin.
Wat zou ik nu nog graag deze mensen persoonlijk willen bedanken, voor de zorg
die ze toen belangeloos aan ons hebben gegeven!
Na enkele dagen vertrokken we er, naar de familie van mijn moeder in Brabant
met de trein, wat een ervaring was dat!
Ons huis was onbewoonbaar geworden.
De angst bij mijn moeder zat er goed in; ze is na die bewuste nacht nooit
meer in Hansweert/Kruiningen geweest!
Wat ik er zelf aan heb overgehouden:\
Ik kan geen documentaire, t.v. , film of boek over de watersnood 1953 meer zien!!!
Er breekt dus eind van de maand een slechte tijd voor me aan;
60 jaar geleden: gedenken, herdenkingen en de media zal alles weer oprakelen!
Is dat eigenlijk wel wat we nu, in deze tijd nog willen vraag ik me af!!
Er zijn op de wereld op het moment veel grotere rampen aan de gang,
waar vele slachtoffers vallen…..
Laten we daar iets aan doen!
Maar, wie ben ik?????

 

Koude, donkere, kille en angstige nacht

We woonden op het eind van het dorp  Rilland richting Bath.  Mijn vader was
schaapherder en liep altijd met zijn schapen op de schorren  en de zeedijken
en kende alle getijden en het Zeeuwse landschap.
Op zondagmorgen zei hij tegen ons gezin 6 personen , het gaat niet goed, het
water staat al zo hoog en  de vloed moet nog komen.
We moeten vluchten naar Krabbendijke, daar woont familie van ons  en dat ligt
hoger gelegen dan hier.
Hij zette een paar fietsen buiten en we stonden buiten klaar om te
vertrekken.
Terwijl de dijk al was doorgebroken en leek wel of het onweerde .Maar het was
  een muur van water wat al onderweg was .
Het geluk voor ons was dat het water gebroken werd door een grote boomgaard.
Toen het water daar doorheen was en op ons afkwam werd ik even meegesleurd
door de kracht van het water en belandde in de heg voor ons huis.
Vervolgens werd ik door mijn vader vastgegrepen en uit de heg gevist, een
levensbedreigend moment.
Daarna riep de buurman dat we allemaal naar zijn hoger gelegen huis moesten
komen ,het huis van boer dhr. Ossewaerde
We hebben daar de hele nacht boven op zolder gezeten en in spanning gewacht
hoe hoog het water zou komen in zijn huis.
Op het hoogste punt van de vloed waren er nog 2 traptreden te gaan, daarna
ging het water zakken. Het was een koude donkere kille en angstige
nacht.Beesten  in de schuur van de boer die verdonken en angstige geluiden
hoorde je voordurende en dan die niet aflatende storm.
Maandags s middags zijn we door militairen weggehaald met bootjes, daarna
vervoerd met een tractor en een aanhangwagen .
Voor we in veiligheid gebracht werden was het water weer al aan het opkomen
zodat de tractor uitviel en in haast werden overgeladen in een vrachtwagen
van het leger.
We zijn toen ondergebracht in de kazerne van Ossendrecht.
Daar had je als jongetje van 12 tussen al die militairen met geweren een
spannende en mooie tijd want je mocht alles bekijken .
We moesten net als de militairen met mesting (soort pannetjes) ons eten
afhalen door in de rij te gaan staan.
Na ongeveer een maand werd je ondergebracht bij particuliere gezinnen in
Eindhoven waar ik ook naar school moest. Dat vergde veel aanpassingen.
Ons gezin werd opgesplitst  ma met zussen in een ander gezin pa en ik in een
ander gezin. Ook op school werd je uitgemaakt voor zeeuws  boerke en dan
moest je je verweren wat niet altijd gemakkelijk ging, zo moest ik me
bewijzen en vocht met een kerel die 2 kopmaten groter was dan ik ,maar ik
won. Boerke had zich bewezen en werd met rust gelaten.
De spannendste tijd was na terugkeer in Rilland Bath waar we niet naar school
moesten omdat er nog geen herstel was van het schoolgebouw.
We mochten vaak meerijden met de mensen die de dijken repareerden, ieder had
zijn eigen vrachtwagen met chauffeur.
Mijn vader had als taak om van de waterpompendie het land droogpomten , de
filters schoon te maken en bijvullen met brandstof.
De filters bevatten vaak kilo’s paling die we zelf met de buurt opaten.
Soort van wijkfeest, geen barbecue maar vis, lekker hoor!
We kregen nieuwe woonruimte, alles nieuw aan meubilair en zelfs een
wasmachine en naaimachine. Luxe voor ons.
Geen klederdracht meer voor mijn moeder.
Naast de ellende van de overstroming ,de angst voor het water, maar zeker ook
de mooie momenten heeft het gebeuren ook mij gevormd.

 

Bastiana Romijn - de Raat, Sint Philipsland

Ik was toen 6 jaar en woonde in Sint  Philipsland, Mijn twee broers logeerden in Bruinisse. De zaterdag voor de ramp was al onheilspellend. Mijn vader zette uit voorzorg zijn Volkswagentje op een hooggelegen plaats in het dorp, bij de tramhalte aan de Slaakdam.
's Nachts werden mijn ouders gewekt door een goede vriend. Hij bonsde op de deur en riep: Het gaat niet goed! Ik hoorde het geluid van water. Ik denk dat het over de vloedplanken heengekomen was. We kleedden ons snel aan. Ik liep tussen mijn ouders in over de Voorstraat. Waarom we precies daar liepen weet ik niet.
We waren op weg naar de auto denk ik. Net voor we bij de Oostdijk kwamen, zag ik een enorme muur van water op ons afkomen en ik dacht echt dat dat het einde zou zijn. Het gillen en schreeuwen van mensen kan ik nog steeds horen. Echter ook van dieren in doodsnood. Later verbaasde het me, dat ik dat zo scherp waarnam en dat ik zo'n medelijden had.
Mijn ouders konden ternauwernood de dijk op vluchten met mij erbij. Ik denk dat ik toen in shock geraakt ben, want ik heb pas weer herinnering aan het moment dat we in de auto over de Slaakdam reden, richting Steenbergen. Daar werden we opgevangen door kennissen van mijn ouders. De mannen sloegen daar alarm, zodat de ramp bekend werd. Mijn broertjes bleken in veiligheid te zijn, dat wisten we twee dagen later en de rest van de familie was op een mosselkotter naar Bergen op Zoom gevaren. Ik ben nu 66 jaar oud en die nacht staat nog steeds in mijn geheugen gegrift.

 

Nelleke Tessen - Van Liere

storm raast door de polders
regen gutst naar beneden
uit de opengescheurde hemel
de donkerte van de avond
komt stapvoets dichterbij
angstige ogen die elkaar zoeken
als de rukwinden heviger worden
en hen herinneren aan lang geleden

 

Piet Feleus, Kattendijke

Wij woonden op Kattendijke in één van de kleinste huisjes. Ik was 10 jaar , wij (mijn broer en zusjes) sliepen in de bedstee. Boven het kabaal van de storm hoorde je de mensen op klompen langs lopen. Mijn vader moest al snel gaan helpen omdat het water over de  dijk sloeg en daar met zandzakken een gat helpen dichten. Zelf met mijn broer zijn we 's nachts gaan helpen door zakken open te houden ,die de mannen volschepten. De andere dag was er enorm veel aangespoeld. Wat me altijd bij blijft is het feit dat om ongeveer 03 .00 Schouwen onderliep en bij ons het water  een halve meter zakte. Dit is voor ons waarschijnlijk de redding geweest ,want als het bij ons was doorgebroken waren we allemaal verdronken.

 

Harrij Kannoo, Zierikzee

We woonden in de Krepelstraat in Zierikz.ee
Tegenover Schee de melkboer en Bram Hage de andere melkboer. Onze buitenmuur
was een 1 steens muurtje, het huis naast ons was in de oorlog gesloopt.
Binnenn de kortste keren moesten we de zolder op omdat het water met enorme
kracht naar binnen kwam. Die nacht hebben mijn ouders en ik op het dak
doorgebracht in de sneeuwstorm met alleen een deken om ons heen. Het
klagelijke gemiauw van een kat die op een dressoir de volgende dag voorbij
kwam drijven zal ik nooit meer vergeten.Mijn vader heeft die dag mensen op
zijn schouder via de dakgoot naar ons gebracht. Voor mij is en blijft hij een
held. Later zijn we  met een roeiboot naar de grote kerk gebracht. Blijdschap
en verdriet van de mensen die elkaar terug vonden en die elkaar verloren
waren. Met rijnaken naar Rotterdam vervoerd. Mijn vader was toendertijd
veehandelaar en noodslachter in Zierikzee. Maanden heb ik last van
nachtmerries gehad.

 

Francien Hollestelle-Minnaard

Het stormt,het water beukt de dijken.
Men ziet de zee steeds hoger stijgen.
O,wilde toch die storm gaan zwijgen.
Want,wat als de dijken eens bezwijken?
Ieder legt zich ter ruste,en luistert naar de zee.
Slapen kan men niet,men wacht op de morgen.
De morgen,wat houdt die voor ons verborgen?
Wat brengt die een groot verdriet met zich mee.
Want in het holst vande nacht.
Breken de dijken door!
En gingen er honderden mensenlevens verloor.
Er gebeurde iets,waar niemand op was bedacht.
Van alle kanten stroomde het water de polders binnen.
De mensen zochten toevlucht op de zolders en de daken.
En spanden als noodsein een kledingsstuk,of een wit laken.
Door de hoge golven,kon het reddingswerk pas s,middags beginnen.
Vele mensen en dieren waren toen reeds verloren gegaan.
In hun slaap overvallen,en medegesleurd door de golven.
Die gehele huizen,ja zelfs dorpen bedolven!
Met man en macht werd al het mogelijke gedaan.
De vluchtelingen werden liefderijk opgenomen.
Mannen,die bij het reddingswerk niets konden verrichten.
Gingen de binnendijken versterken.voordat die ook zouden zwichten.
Maar al maar meer onheilstijdingen werden via de radio vernomen.
Op Schouwen en Noord-Beveland,Goeré Overflakké
Ja zelfs in Brabant moest mens en dier vluchten.
En hoorde men de mensen schreien en zuchten.
Want hun land,hun vruchtbare land werd bedolven door de zee.
Uit het gehele land,ja,uit alle landen werd hulp geboden.
De helikopters konden veel mensen redden.
Sommige mensen dreven in 't water op hun bedden.
Velen werden gered,maar er waren ook vele doden!
Gezinnen werden uit elkander gerukt.
Talloze familie,s moesten offers laten.
Ook wist men niet, waar vrienden of bekenden zaten.
Geheel Nederland ging onder deze RAMP gebukt.
Soldaten en vliegtuigen kwamen hun diensten aanbieden.
Ware heldendaden werden er door velen verricht.
Men werkt wat men kan,want de dijken moeten weer dicht!
Zelfs uit Italie kwamen brandweerlieden!
Ons Koninklijk Huis leefde geheel met de bevolking mee.
Prinses Wilhelmina trotseerde alle gevaar.
Evenals onze koningin,die was ook overal daar.
Waar het land overstroomt   was door de zee.
Prins Berhard, als steeds voor alles in de weer.
Bezocht de getroffen gebieden en pakte aan.
Want aan het hoofd van het Nationaal Rampenfonds,ziet men Prins Bernhards naam staan!
Zo helpt hij Nederland en de bevolking ook deze keer!
In de kerken en door het gehele land.
Werden zondag 8 februari de doden herdacht en gerouwd.
Nu moet men weer voorwaarts,aan de toekomst gebouwd!
Maar er heerst door geheel Nederland een innige band.
Want in de uren van gevaar heeft men bemerkt.
Wij zijn allen één,wij behoren bij elkaar.
Men heeft het ondervonden,het is waar!
De liefde tot elkander is zeker versterkt.
Moge het in de toekomst altijd zo blijven!
Elkander bijstaan op alle gebied.
Troost brengen,waar heerst nu soms zo,n verdriet.
En zo een innigheid en liefde tot elkaar stijven.
Moge Nederland weer herrijzen,en het water gaan wijken!
Van deze zo grote ramp,door het water.
En laat het zijn een waarschuwing voor later.
Laat ons bedenken,dat de sterkste dijken kunnen bezwijken.
Want, wij allen zijn machteloos tegen Gods kracht!
Hij is het die steeds regeert en ons ook hulp en redding bracht!

 

 

Het verhaal van die nacht  begint  voor mijn zuster en ik  op zaterdag de 31ste januari.  Ik was 12 ½ jaar en mijn zusje Betsy bijna 11 jaar .
Die dag kwamen wij  terug in Rotterdam met ons schip waar onze vader kapitein op was. Wij hadden al minstens 2 weken eerder terug op school moeten zijn na de kerstvakantie. Maar we waren in Duitsland geweest en te ver weg om ook nog met de trein naar Nederland te reizen.
Dus die zaterdagmiddagv gingen we op weg met de trein van Rotterdam naar het R.K. Internaat voor schipperskinderen Maria-Oord  in Hansweert Oost.

  

Wij hadden wel in de gaten dat het stormde die dag ,  maar het was winter dus dat was te verwachten. Het was al donker toen we daar aankwamen. De zusters stelden voor aan onze moeder om op het internaat te blijven die nacht , maar ze accepteerde dat niet, want ze wilde weer terug naar Rotterdam.
Later merkte  ze dat  het de laatste trein was en ze vertelde ons dat in sommige plaatsen de trein heel langzaam moest rijden omdat het water al op de spoorlijn stond, vooral op de bruggen.
Na het afscheid mochten we nog een poosje spelen en toen om ongeveer 19.30 uur gingen  we allemaal naar bed.

Plotseling  ging het licht aan op de slaapzaal en zuster Gertruda,de hoofdonderwijzeres, kwam door de zaal rennen, maakte ons wakker en schreeuwde: “ Vlug allemaal opstaan, pak je kleren, doe alles in je deken en ga vlug naar boven! “ Ze bedoelde de eerste verdieping in de villa.  Wij waren een beetje verbijsterd. Wij hadden geen idee dat het nog maar  3 of 4   uur in de morgen was. Maar we deden zoals ons gezegd werd.  Naast de slaapkamers was een gang waar onze jassen op kapstokken hingen. Mijn jas hing aan de rechter kant  bij de deur en ik wilde die nog grijpen, maar ik zag al water onder de deur binnen komen, dus ik dacht:  “nee dat zal ik maar niet doen.”

 

Tegen de tijd mijn zus een paar minuutjes later door die gang kwam liep ze al kniediep door het water. Later kwamen we te weten dat het water al  ongeveer 1 ½  meter hoog  stond  buiten.
Al de kinderen, jongens en meisjes, bijna 100, de zusters en pastoor, die ook op de benedenverdieping sliepen,  waren nog maar een korte tijd boven,misschien 5 of 10 minuten en stonden boven over de leuning van de trap te kijken toen al de deuren plotseling  open braken en het water door het gebouw stroomde. Een van de zusters was in de keuken. Ze wilde wat brood pakken om mee naar boven te brengen en probeerde om de trap te bereiken, maar dat lukte niet. Ze werd met het water door de gang ingesleurd. Gelukkig  kon ze een reling  langs de muur grijpen. Ze is gered door een broer en zus die heel goed konden zwemmen, met lakens die de zusters aan mekaar geknoopt hadden.

Nu moesten we maar wachten en zien hoe hoog het water zou komen. Gelukkig spoelde het water niet over de vloer van de eerste verdieping.  Later in de na de middag begonnen ze met het redden van de kinderen, zusters en ook oudere mensen waar de zusters voor zorgden. Ik kan me nog herrinneren dat we uit een raam moesten klimmen en over een schuin dakje in de roeiboot geholpen werden. Op de dijk stonden bussen om ons naar Goes te evacueren. Het evacuatiecentrum was een grote zaal. Daar kregen we wat te eten en mijn zus en ik werden mee naar huis genomen door vrijwilligers. Ik kan me nog herrinneren dat was een vrouw met een dochter die een beetje ouder was als ik. Daar zijn we een week geweest, tot dat het mogelijk was voor onze moeder om ons weer op te komen halen.
Ons schip moest in Rotterdam  blijven die week na de ramp  voor het geval dathet nodig was geweest om te helpen met de redding van mensen of andere taken. Wij bleven weer een poosje aan boord tot dat de zusters de school weer opzetten in Leyenbrook , kort bij Sittard in Limburg in een bijna leeg  klooster.
Het nieuwe Maria-Oord in Hansweert-Oost is nooit meer geopend als internaat voor schipperskinderen . In de tijd van de watersnoodramp was het internaat nog maar 4 jaar oud met een hele moderne opleiding voor schippers kinderen.

2 ½ jaar later zijn we met de hele familie naar Australia geëmigreerd. Nu is dit een verhaal dat ik aan mijn kinderen en klein kinderen kan vertellen  Een ervaring van ons leven in Nederland.

 

Het verhaal achter de onbekende foto

 

Mijn naam is Willem Passenier uit Rotterdam. Tijdens een bezoek met mijn echtgenote aan het Watersnoodmuseum in Ouwerkerk, oktober 2007, zag ik in de map Colijnsplaat een foto van een dropping in 1953 aldaar.
Het bleek een onbekende foto te zijn waar verder ook niets over bekend was. Deze foto kwam mij zeer bekend voor omdat ik daar bij was geweest.
Na enig aarzelen heb ik het hierna volgende verhaal achter die onbekende foto op papier gezet.
 
Inleiding
Sinds 5 april 1951 was ik dienstplichtig militair en kreeg mijn opleiding aan de S.R.O.LuA (School Reserve Officieren Luchtdoelartillerie) in Ede. Kwam bij de Stafbatterij van het Regiment Zware Luchtdoelartillerie "Ypenburg" in de Koudenhorn kazerne te Haarlem, in de rang van kornet der artillerie.
Een "kornet" bij de bereden wapens, is gelijk in rang met "vaandrig" bij de dienstvakken; dit zijn de jongste officiersrangen bij de Landmacht.
 
Het verhaal
In het weekeinde van zondag 1 februari 1953 was ik op verlof bij mijn Zeeuwse ouders op de Noordweg 251 (nu nr. 417) in Sint Laurens, Walcheren.
Die zondagmorgen,1 februari 1953, werd ik wakker van de schrille stem van overbuurvrouw "buure Bommeljé”, die altijd gekleed was in de Walcherse klederdracht.
Ik verstond zoiets als "radio" en "alle militairen moeten naar de dichtstbijzijnde kazerne". Mijn eerste gedachte was: "O jé, het is oorlog en mijn pistool ligt in de kazerne in Haarlem”. Niet zo'n vreemde reactie, want het was een periode van grote paraatheid tijdens de Koude Oorlog. Maar al snel werd duidelijk dat we die nacht niet waren overvallen door Russen, maar door het water. Overigens was er, vanuit mijn kamerraam, nergens water te zien.
Inderdaad, het had gestormd die nacht. Maar mijn kamer was aan de voorkant van het huis, op het Oosten. Daardoor was het extreme geweld van de Noordwesterstorm zeker niet zo opgevallen? Bovendien ben ik altijd een vaste slaper geweest.
 
Terug naar mijn onderdeel was niet mogelijk want de Sloedam was onbruikbaar geworden, de enige weg terug naar Holland. Vele militairen konden niet terug naar hun onderdeel. Zij moesten zich, overeenkomstig het bevel in speciale radio uitzendingen, melden bij de dichtstbijzijnde kazerne. Dat was voor mij Middelburg.
 
Ik fietste van mijn ouderlijk huis naar de Generaal Berghuis kazerne in Middelburg - inmiddels uit gebruik genomen -, waar ik in de messroom met andere officieren wachtte op orders. Die kregen wij van de bevelvoerend officier, de majoor Potteboom van het dienstvak Militaire Administratie, tevens commandant van de C.O.A.K (Centrale Opleiding Administratief Kader).
 
's-Middags vroeg hij vrijwilligers, om de verzwakte dijk bij Ritthem te gaan versterken. Ik verzamelde een peloton van zo'n 30 man.
Tijdens het appèl gaf ik opdracht dat ieder een schop zou mee nemen. Het was een vervelend moment toen de oudere adjudant-onderofficier de Bruin van de C.O.A.K., weigerde omdat hij dat kennelijk beneden zijn rang achtte.
 
Normaliter zou dat wel zo zijn, maar het was inmiddels wel duidelijk geworden dat we in een enorme ramp zaten en ik vond daarom dat iedereen, zonder onderscheid van rang, moest werken.
Ik aarzelde. Herhalen als dienstbevel? Dan was deze beroepsmilitair, bij opnieuw weigeren, in het cachot beland. Ik liet het maar zo, niet wetende dat we nog 10 dagen onvrijwillig in elkaars gezelschap zouden blijven, doch gelukkig zonder verdere incidenten.
 
Ritthem
Met onze schoppen en een grote hoeveelheid lege zakken gingen we in een legertruck naar de Westerscheldedijk bij het Fort Rammekens bij Ritthem.
Het was bitter koud aan het grote water en we werkten hard, al was het alleen maar om warm te blijven. Zakken vullen, zak op de rug, lopen en dan dumpen in een van de vele diepe gaten in de dijk.
We zijn doorgegaan tot diep in de nacht, op de pikdonkere dijk waar het schrale licht van een stationair draaiend motorfietsje ons koude werk moest bijlichten.
Maar in dat weinige licht, stak een schop dikwijls in de hand die een zak openhield en dan rolden de "godvers..." over de dijk.
In de vroege donkere ochtend kwam de legertruck ons weer halen.
Na een paar uur slapen, daarna wassen en ontbijt in de kazerne, gingen we met de legertruck, schoppen en een nieuwe hoeveelheid lege zakken naar Arnemuiden.
 
Arnemuiden
Wij kozen de oostelijke rand van het dorp Arnemuiden bij een café en de spoorlijn, vermoedelijk het begin van de Sloedam. Destijds slechts een smalle dam met naast elkaar een fietspad, verkeersweg en de spoorlijn.
Het water stroomde iets verderop snel en krachtig van zuid naar noord, haaks over de verbogen spoorlijn en dat veroorzaakte een brede waterval die zover het oog reikte, oostelijk Walcheren inundeerde.
Het haastige water maakte een lispelend en boeiend geluid, alsof het plezier had en ons een geheimpje wilde vertellen. Om nooit te vergeten!
Wij stonden ademloos te kijken naar dit imposante natuurgeweld.
De grond onder ons trilde ... Hier was het oppassen!
 
Het geweld typeerde eigenlijk al direct het nutteloze van enige actie want met mankracht en schop was hier weinig of niets tegen te doen.
Er stond een lege platte spoorwagon. Was hier het station?
We stapelden door ons gevulde zakken op de wagon die dan telkens over het spoor werd geduwd tot zo dicht mogelijk bij het gevaarlijke water. Zo bouwden we daar op de iele rand een preventieve halfronde lage dam, dwars over de spoorlijn.
Aan de cafébaas vroegen wij een cognacje tegen de snijdende kou, maar het antwoord was een absoluut "nee". Het werd er niet beter op.…
Al enige tijd stonden 3 oudere mannen in klederdracht, met de handen diep in de zakken, te kijken hoe wij zwoegden met die zware spoorwagon. Nu denk ik: "zagen zij hoe nutteloos ons werk was?".
Voor ons werd het zwijgende drietal hoogst irritant en ik zag op afstand dat de sergeant in het peloton, een harde en gedecoreerde veteraan, net terug van het Nederlandse V.N. Detachement in de Koreaanse oorlog 1951/53, naar ze toeliep.
Hij zal wel zoiets hebben gezegd als "haal g.v.d. je klauwen uit je zak en doe wat, want we zijn hier voor jullie!" Dat ging fout, want ik zag hoe de sergeant plotseling uithaalde en een kerel hard op zijn wang sloeg met de platte kant van zijn schop. Daarna dropen ze af.
 
Het voorval heeft ons er niet van weerhouden de dam af te bouwen.
Misschien werd voorkomen dat water zijdelings het dorp in zou lopen?
Wellicht is dit verslag over onze activiteiten op Walcheren niet compleet omdat het mij onbekend is of er daar ook andere georganiseerde inzet van militairen is geweest ,al dan niet vanuit Middelburg?
De volgende dag meldde ik mij weer als vrijwilliger, ditmaal voor Noord-Beveland.
 
Colijnsplaat
Het was inmiddels dinsdag,de derde dag na de stormnacht.
Een kapitein van de C.O.A.K. vertrok uit Middelburg,met 2 kornetten en 3 pelotons van elk zo'n 30 man, naar Noord-Beveland. Zelf was ik één van die kornetten en de tweede kornet was Almekinders uit de Nadorst in Middelburg die ik kende van de Rijks-HBS.
 
In zijn "briefing" aan de officieren had de majoor Potteboom gezegd dat hulp was gevraagd door Noord-Beveland waar plunderaars actief waren.
Het consigne was: "gericht schieten op plunderaars, na 3 sommaties".
Alle militairen kregen vuurwapens en scherpe munitie. Verder niets: geen ransel met voedsel, veldfles, geld of andere praktische dingen voor ongetwijfeld een langdurige taak in onbekend rampgebied.
Misschien had het beter gekund, maar in Middelburg was slechts een school voor administratie personeel en als zodanig niet te vergelijken met een op daadkracht en snelle improvisatie getraind paraat onderdeel van de krijgsmacht.
Wellicht ontbrak het aan rantsoenen en uitrusting voor zo'n expeditie?
 
Onze exacte route weet ik niet meer. Wel dat we bij aankomst met een veerpont in Kortgene onmiddellijk werden geconfronteerd met een man die luid schreeuwend een geweer eiste om op plunderaars te schieten.
De kapitein gaf hem een paar militairen mee en vestigde er zijn hoofdkwartier met 1 peloton. Hij dirigeerde Almekinders met zijn peloton naar Kats en mij naar Colijnsplaat.
Dat was het laatste contact, want o.a. het telefoonverkeer was geheel ontregeld.
 
Met mijn peloton liep ik in de ijzige wind en koude, de lange afstand over verlaten dijken, langs omwegen en een grauw ondergelopen niemandsland naar het mij volkomen onbekende Colijnsplaat.
Elk peloton was een allegaartje van "gestrande" militairen. Met o.a. koks, matrozen en schrijvers die geen lange marsen gewend waren en al snel uitgeput met blaren en bloed in de schoenen liepen.
De meeste hadden hun "kistjes" nog in hun kazerne en liepen in uitgaanstenue, het z.g.n. "eerste grijs " van de Landmacht. En wie geen overjas had meegenomen moest het verder zonder doen. Ook ik dus.
Halverwege onze bestemming liep ik met niet alleen aan de koppel mijn 9mm Browning FN dienstpistool, maar ook met aan elke schouder het zware Lee-Enfield geweer van de twee zwakste militairen.
Op een gelukkig moment kwam op de dijk een bestelwagen met open laadbak aanrijden. De vriendelijke man was bereid ons te helpen met transport. Onlangs, 2008, bleek dat het Piet de Buck, melkrijder en winkelier uit Kortgene was die reed met een groene Ford Thames. Hij reed de zwakkeren naar Colijnsplaat. Ook de adjudant-onderofficier de Bruin met als opdracht voor ons daar onderdak en eten te vinden.
 
Mijn suggestie was voor de mensen die ons hielpen een declaratie bij te houden die ik dan vóór vertrek zou aftekenen en voor hem dan later wellicht een compensatie van de overheid? Zoals later ook bij de kapper.
 
Later, bij onze aankomst, was er stro in de School met den Bijbel gelegen aan de Voorstraat. Inmiddels gesloopt, nu 3 huizen Voorstraat nr. 57, 57a en 57b.
We hadden daar: geen stroom, bevroren water, geen dekens en verwarming.
De adjudant was teleurgesteld omdat er geen medewerking was te verwachten van de wethouder Bom, van de gemeente Kortgene, voor drinkwater en waswater, voedsel en een paar praktische zaken zoals wassen, zeep en scheren. Gemeente Kortgene bestond sinds 1 april 1941 uit de dorpen: Kortgene, Kats en Colijnsplaat (red.).
Er was wel een café, schuin tegenover de school. Soms geopend, maar voor ons wel tegen contante betaling. Maar wie van ons had geld voor een warme hap, koffie, een neut of tabak, voor scheergerei, zeep,etc?
Gelukkig was al snel bij onze wapenbroeders in Kats ook voor ons gratis warm eten te halen. En "onze" chauffeur Piet de Buck, soms met zijn dochter Jo, toen 17 à 18 jaar werd een zeer gewaardeerde hulp voor het halen van de warme hap.
Bij de kapper Ko Schipper, die naast de school zat, werden we gratis geschoren.
 
Maar we hadden, vanaf aankomst, ook andere zaken nodig voor patrouilles op de zwaar beschadigde zeedijk. O.a. laarzen,kadaverhandschoenen, zakken,zaklantaarns, etc.
Mijn verzoeken daaromtrent aan de wethouder Bom bevestigden alleen dat men niets kon, of wilde geven. Zelfs niet één zaklantaarn.
Waren wij wel welkom? Er was toch om ons gevraagd, voor hun bescherming?
Na een korte verkenning 's avonds informeerde ik de wethouder dat we, zonder lantaarns, in het donker geen patrouilles zouden lopen op de gevaarlijke zeedijken vol diepe gaten en met overal ontelbare hoeveelheden stijf bevroren grote en kleine kadavers, meubilair en andere uit zee en Schouwen-Duiveland aangespoelde obstakels.
 
De volgende dag hoorde ik op straat dat " de meester ", op de zolder van de school met een radio naar berichten luisterde. Ik naar boven. Achter een krakende zend/ontvanger bij het raampje zat een man.
Tot mijn grote verbazing was deze meester Bram de Visser, in onze HBS-tijd nog wonende schuin tegenover mijn ouderlijk huis aan Noordweg 251 in Sint Laurens!
Ook hij was stomverbaasd mij onder deze bijzondere omstandigheden te zien in Colijnsplaat en ook als commandant van een groep militairen.
Wij hoorden druk radio- en berichtenverkeer: noodoproepen, coördinatie met hulpverleners, enz. Op mijn verzoek zocht hij naar militaire zenders.
Na uren kwam de bevestiging van een vliegbasis dat kon worden gedropt bij Colijnsplaat. "Waar is een geschikte plaats en wat is nodig ?".
Het lukte de meester die (lange)lijst, ondanks het drukke radioverkeer, te verzenden met onze mededeling dat het voetbalveld duidelijk zou worden gemarkeerd en afgezet voor de dropping. Wanneer?
 
Een of twee dagen later naderde op de afgesproken tijd, grommend en op slechts enkele meters hoogte vanuit richting Zierikzee, een groot militair transportvliegtuig. Voor ons! Spannend en ontroerend!
 
Het zal een Fairchild C-82 Packet, ook bekend als de `Flying Boxcar zijn geweest en vermoedelijk van de Belgische Luchtmacht die ook hulp verleende.
 
De piloot dropte precies op het voetbalveld, in enkele "runs" en van zeer geringe hoogte, aan kleine parachutes een aantal zakken en ook zware vaten met drinkwater.
"Houdt moed. Van de mariniers op Ypenburg", stond geschreven op de vaten. Destijds was Ypenburg een militaire vliegbasis.
Het verbaast mij nog steeds dat, behalve de doellat, verder niets en niemand werd geraakt.
 
Nu hadden wij drinkwater, voedsel in blik, rantsoenen, drinkwater, oploskoffie, chocolade, sigaretten, etc.
Iets delen met de bevolking van Colijnsplaat? Nee.
We hadden de dropping niet aangekondigd, want voor ons was het een "wij" en "zij" situatie geworden. Niets voor ons, dan ook niets voor jullie!
Om te voorkomen dat iets zou worden meegenomen door de bevolking hadden we een cordon, met de bajonet op het geweer, gelegd rond het voetbalveld.
 
Met de laarzen, handschoenen en lantaarns kon veiliger 24 uur worden gepatrouilleerd en overdag hielpen we op de dijk een plaatselijke boer die met zijn tractor de bevroren kadavers opstapelde. Later verbrand?
Patrouillelopen werd routine en gelukkig zonder ongelukken , aangespoelde lijken of schoten. Later was wel een verhaal dat elders in het Rampgebied een boer, rijdend op zijn tractor, het gegeven "halt "teken”, de opgeheven hand, abusievelijk begreep als groet en doorrijdend vriendelijk terugzwaaide naar de militair. Die na nog een sommatie aanlegde en de nog rijdende boer in zijn been schoot. Waar gebeurd verhaal?
Een Sikorsky helicopter van de Royal Air Force, die op de kade was geland en hier tijdelijk stond was toen nog iets heel bijzonder.
Voor de bevolking kwam warme kleding uit Noord Amerika. Canada?
Na 8 dagen in Colijnsplaat kwam onaangekondigd onze aflossing: een mobiele eenheid van de landmacht, compleet met o.a. een keukenwagen! Voor ons was het maar behelpen geweest.
Ik weet niet hoe en langs welke route wij die dag zijn teruggegaan naar Middelburg. Ongetwijfeld vies, na 10 dagen zonder verschoning te hebben gewerkt en geslapen in ons uniform.
 
Helaas zijn de contacten met wethouder Bom en de meeste inwoners van Colijnsplaat stroef geweest.
Waar was de burgemeester en de politie in die 8 dagen van ons verblijf?
Eerst veel later heb ik begrepen hoeveel de bevolking van Colijnsplaat toen te verwerken had: doden begraven, vermisten zoeken, angst, hoop en wanhoop. Onzekerheid, verdriet, schade, chaos, etc. etc.
 
Ik herinner mij een lange naderende begrafenisstoet met paarden op de dijk.
Volgens de heer de Fouw, Historie Noord-beveland, waren er door "het wonder van Colijnsplaat " plaatselijk geen doden te betreuren. Wel werden toen tijdelijk de doden uit Kortgene begraven in Colijnsplaat omdat de begraafplaats daar was ondergelopen. In totaal vielen in Kortgene en Kats 41 slachtoffers.
 
Achteraf kan ik best begrijpen dat men zelf heel grote zorgen had en geen prioriteit voor ons.
 
Door die toevallige omstandigheid heb ik deel kunnen nemen aan hulpacties door militairen in Zeeland: Ritthem, Arnemuiden en Colijnsplaat
 
Dank aan:
Met postume dank aan vrachtrijder Piet de Buck en zijn dochter Jo, kapper Ko Schippers en de onbekende maaltijdkokers in Kats die ons toen belangeloos hebben geholpen.
 
Tevens veel dank aan de heer Gerard de Fouw, Historie gemeente Noord-Beveland voor de recente en geslaagde zoektocht naar de namen bij dit verhaal, de foto's uit zijn privé archief, en zijn zeer plezierige hulp bij het samenstellen van mijn verhaal.
 
Rotterdam, 31 oktober 2008.

 

Jan Kempeneers, Sint Philipsland

Dat het bewaard blijft voor mijn nageslacht, dat is één van de reden dat ik in juni 1990 mijn herinneringen aan De Ramp van 1953 heb opgeschreven, zodat ook mijn kinderen en kleinkinderen zouden weten wat mijn ouders, mijn broer Rinus en ik  in deze rampnacht en daaromheen hebben meegemaakt.

Ik was nog jong, 17 jaar. Na zeven jaar lagere school ging ik in april 1949 meteen al werken. Mijn vader had bijna twee hectare bouwland, waar allerlei vruchten op werden geteeld. Suikerbieten, aardappelen in meerdere soorten, bruine bonen, tuinbonen, tarwe en gerst. Omdat alles met de hand gebeurde en door onze eigen gezinsleden werd gedaan kon vader er de aflossing op zijn woning ruimschoots van betalen. Toen ik in de hoogste klassen van de lagere school bij meester Leune en meester van den Ende zat, deed ik niets liever dan na schooltijd op het land van vader werken. Er was altijd wel wat te doen. Ik herinner me dat hij onder het middageten zei dat we die avond de bruine bonen zouden gaan trekken op het land in de Prins Hendrikpolder. Later werden deze dan aan de tol gezet. Ik had geen geduld. Ik bleef die middag van school en de bonen op het land in de Prins Hendrikpolder stonden in bosjes op de grond voordat de avond aanbrak. Ik hield dat voor vader als een verrassing. Terwijl ik het neerschrijf denk ik, had ik maar beter mijn best gedaan op school.
Landarbeiders
Mijn ouders zijn op 21 september 1923 getrouwd. Vader had "het Wachtje" gekocht en kon dat pas in de zomer van 1924 betrekken. Willem Aarnoudse en zijn vrouw Griet Walpot woonden met hun kinderen tijdelijk in dit huisje op de haven, tot zijn schip van de werf kwam. Tot die tijd woonden mijn ouders in de Stationsstraat bij een oudoom van vader, Gilles Kempeneers. Mijn oudste broer Lauw is op 12 juni 1924 in het karakteristieke huisje op de Fliplandse haven geboren. Op 6 november 1934 kregen onze ouders een dochtertje. Maatje werd ze genoemd. Ze is helaas maar zes weken oud geworden. Het jaar daarop zag ik in december in "het Wachtje" het levenslicht. In de tweede helft van de jaren '30 was er na de aanleg van de Rijksweg over Sint-Philipsland een stukje grond vrijgekomen van een kavel, genaamd de 'Smidsweide' van Adriaan van Dijke. Het was circa twee gemeten groot. Dit kwam vrij op de kruising Rijksweg-Oudeweg. Het liep uit op een punt, zodat het in de volksmond al snel "de Punthoeve" werd genoemd. Vader had na de lagere school nog een avondcursus Landbouwschool gedaan, hij was een vakman op landbouwgebied. Op de Henriëttehoeve was hij bijna 25 jaar voorman landarbeider.
Vader had zijn oog laten vallen op het stukje grond van Adriaan van Dijke en wilde daar een woning op bouwen. Zeer tegen de zin van moeder, zij was verknocht aan haar huisje op de haven. Het bouwen aan de Rijksweg werd destijds mogelijk gemaakt door tussenkomst van de Vereniging tot bevordering van onroerend goed voor Landarbeiders, waar vader lid van was. Met steun van deze vereniging liet hij op de vrijgekomen grond een woning bouwen door aannemer L.J. Allewijn. Een broer van mijn moeder, Willem Adriaan Ligtendag, die sinds 1931 een eigen metselbedrijfje had, verzorgde het metselwerk. In februari 1940 konden mijn ouders, mijn broer Lauw en ik naar deze woning verhuizen. Ik was ruim vier jaar, maar ik weet nog goed dat Johannes Mol ons met zijn vrachtwagen tijdens strenge vorst heeft verhuisd. Op 26 juni 1941 werd mijn jongste broer Rinus daar geboren.
Nog geen drie maanden nadat we de woning hadden betrokken brak de Tweede Wereldoorlog uit. Op deze afgelegen plek bracht dat voor ons spannende momenten mee, vooral bij beschietingen. Ook de strenge winters in de vijf jaar oorlogsperiode liggen nog in ons geheugen.

 

Naar huis
Op zaterdagavond gingen we altijd op familiebezoek op het dorp. Opoe Maatje Ligtendag-Den Haan leefde nog. Ook op de laatste zaterdag van januari 1953 waren mijn ouders, mijn jongste broer Rinus, die toen 11 jaar was, en ikzelf met mijn ouders bij familie op het dorp geweest. Bij opoe Maatje, ze was bijna 80 jaar, werd dan een bezoek gebracht. Ze was dementerend, haar 37-jarige zoon Jan woonde bij haar in huis. Hij was haar tot grote steun. Daarnaast waren we die avond ook bij oom Johannes Kempeneers in het Karreveld geweest. Vanzelf werd daar ook gesproken over de zware storm. Ook over het hoge water van de afgelopen middag. Nergens meer aan denkende torsten mijn ouders met Rinus rond 10 uur tegen de zware storm op naar ons huisje, midden in de Oude Polder. Ik volgde hen korte tijd later met Theo van der Sluis uit Anna Jacobapolder. Die had destijds verkering met een meisje uit de Voorstraat. Samen torsten we lopend met de fiets aan onze hand tegen de storm op en werden soms teruggeduwd door de zware windstoten. Op de kruising van de Oudeweg aangekomen nam ik afscheid van hem. Ik was blij dat ik thuis was en op mijn manier had ik met Theo te doen omdat hij nog een tocht van drie kilometer voor de boeg had. Ik herinner mij niet, dat ik wel eens zo'n zware storm had meegemaakt. Maar wie denkt er aan een dijkdoorbraak! Na mijn thuiskomst werd er weinig meer over de storm gepraat. Vader en moeder gingen in het slaapkamertje beneden naar bed. Rinus en ik hadden boven een ruime slaapkamer.
Ondanks het natuurgeweld gingen we ook die avond op de gewone tijd naar bed om zoals we  gewend waren de andere morgen gezamenlijk naar de kerk te gaan. We lagen met ons hoofd onder het schuine dak. Het was een vreselijk lawaai van klapperende dakpannen en van de hoge populieren die vader daar in 1940 meteen al had geplant.
's Zondagsmorgens had vader voor we opstonden de tafel al gedekt en voor elk vier beschuiten met boter en suiker op een bordje gelegd. Onze oudste broer Lauw was in 1949 getrouwd en woonde sinds enkele jaren te Rotterdam waar hij met zijn vrouw Cornelia Agatha Neele een waterstokerij exploiteerde.

'Marien!, het water loopt over de dijk'
Naar Leen van Nieuwenhuijzen op de boerderij "Broedershof" werd in de late avond  gebeld dat het gevaarlijk hoog water was. Hij was eerste wethouder en loco-burgemeester. De boer ging die nacht als een van de eersten naar het dorp om poolshoogte te nemen. Zijn zoon Gerard had daar weinig begrip voor. "Wie verlaat er nu zijn boerderij als er gevaar is voor overstroming", zo vertelde hij mij later. Gerard, toen 27 jaar oud, ging hem op de fiets achterna. Nadat hij op de haven de kritieke situatie had waargenomen zei hij tegen zijn vader dat hij terugging naar huis. Hij keerde terug over de Rijksweg naar de boerderij aan de Noorddijk. Zijn vader had hem er al op attent gemaakt ons op "de Punthoeve" te waarschuwen. Daar aangekomen draaide Gerard de Oudeweg in, bonsde bij mijn ouders op het slaapkamerraam en riep: "Marien, het water loopt over de dijk, maak dat je weg komt!" Gerard vervolgde direct zijn weg door de dreef en moest wadende door het water naar de boerderij terug. Vader was meteen paraat. Terwijl hij de waardevolle papieren, die in de laden van het dressoir lagen boven bracht, zei hij tegen moeder dat ze zich alvast moest aankleden en door de Oudeweg, de kortste weg naar de Oostdijk, met ons moest vertrekken. Vader bleef nog even bezig met spullen naar boven te sjouwen. Moeder deed de achterdeur open en stapte naar buiten om te vertrekken. Ik stond bij de achterdeur op vader te wachten. Rinus was moeder al achterna gegaan. Opeens hoorden we moeder een kreet slaken: "Marien!, ik sta in het water". Daarop reageerde vader: "Kom gauw terug en ga naar de zolder". Hoewel vader de ernst van de zaak wel degelijk besefte, behield hij zijn tegenwoordigheid van geest. Terwijl moeder met Rinus en ik de trap opgingen ging vader het keldertje onder de trap in. Daar stonden de eerste levensbehoeften. Hij pakte een mandje met eieren, een half brood en bracht dat op de zolder. De lampen op butagas brandden nog, elektra was er nog niet in het buitengebied.

Toen het licht werd
Weer ging vader naar beneden om nog iets op te halen. Toen hij onderaan de trap stond bezweek de ruit in de achterkamer door de druk van het water. Gelukkig was hij nog in het trapgat, anders zou hij mogelijk in de voor- of achterkamer opgesloten zijn geweest. Vanaf dat moment zaten we midden in de polder op de zolder waar het water een hoogte bereikte tot ongeveer 40 cm. beneden de zolder. Het enorme geweld van het water en de storm deed onze woning sidderen. Steeds zagen we het bij de trap hoger komen. We dachten dat ons huis zou instorten. Geheel in het donker dachten we niet anders dan dat we elk ogenblik zouden verdrinken. Toen het licht werd zagen we het geweld van de kokende zee. Onbeschrijfelijk is het hoe je je dan voelt in een woning midden in de polder, omspoeld door water. Om ons te beschermen tegen de koude lagen moeder, Rinus en ik op ons tweepersoonsledikant onder de dekens. Vader was dik gekleed en liep op en neer over de zolder. Ik herinner me dat ik geregeld mijn knieën boog en smeekte tot God voor behoud van ons leven.
In de loop van zondagmorgen zakte het water iets, maar de storm duurde onverminderd voort. Ondanks de hoge golven en het opspattende water zagen we dat er in het dorp woningen en andere gebouwen verdwenen waren. Je had echter op dat moment alleen maar oog voor jezelf. Toch vroeg moeder steeds aan vader: "Waar zouden moeder en Jan zijn?" We konden namelijk zien dat het huis van opoe Ligtendag was ingestort. Vader probeerde moeder gerust te stellen door te zeggen dat ze dicht bij de dijk woonden en dat ze in veiligheid zouden zijn. Zo ging de voormiddag voorbij. Het was een verademing dat het water een beetje was gezakt. We gebruikten wat van het eten dat vader boven gebracht had. Bovendien stond op onze slaapkamer een kast waar moeder haar gewekte groenten en fruit in bewaarde. Aan eten hadden we dus geen gebrek.
Kort voor het middaguur begon opnieuw de spanning op te lopen. Vader hield aanhoudend de hoogte van het water in het trapgat op de achterzolder in het oog. Steeds maar weer steeg het water totdat het laat in de middag nog twee traptreden hoger kwam dan 's morgens. We vroegen geregeld aan vader of het water nog hoger kwam, waarop hij bevestigend knikte. De hoge populieren die dicht opeen aan de westzijde van ons huis stonden zorgden er voor dat de strobalen en het wrakhout langs ons huis werden geleid. Daarin zat juist het grote gevaar. Wanneer deze tegen de gevel gingen beuken werd de kans op schade groter. Rond zes uur/half zeven zou het die middag hoog water zijn. Zoals gezegd, de spanning steeg van minuut tot minuut. Regelmatig keken we door het raam of we konden bespeuren of er pogingen ondernomen werden om ons te redden. Het tegendeel was waar. Van het voorste raam op de slaapkamer liepen we naar de achterzolder, naar het trapgat waar de losse trap met haakjes aan de wand was bevestigd. De trap bleef op zijn plaats. Steeds werd door ons gebeden. Laat in de middag was het toen vader zei: "Ik geloof dat het water niet meer hoger komt". Toen het tot op enkele tientallen centimeters van de zolder stond, steeg het niet meer. Met nadruk wil ik vermelden!: Dit moet je meegemaakt hebben wil je er over mee kunnen praten. Steeds maar denken dat je elk ogenblik zal verdrinken en geen redding zien. Wat moet je dan anders doen, dan zoals het spreekwoord zegt: "Nood leert bidden". Als ik het niet deed, had ik er geen vrede mee.

Hoogte van het water
Steeds wordt in naslagwerken gesproken dat het water in de Oude- en Henriëttepolder een hoogte bereikte van circa 3.00 m. + N.A.P. Ik kom echter tot een andere berekening. De Rijksweg op de kruising met de Oudeweg ligt op een hoogte van 1.21 m. + N.A.P. Het maaiveld langs onze woning lag 55 cm. lager. Op advies van de aannemer en oom Willem Ligtendag die het huis metselde, werd het vloerpeil van onze woning overgenomen van de hoogte van de Rijksweg. Aanvankelijk was een lager peil gepland, maar Allewijn adviseerde vader het peil van deze weg aan te houden. Dat is ook gebeurd. Toen de betonplaten van de Rijksweg kort na de Ramp bij laagwater gingen opgrijzen als de zon er haar schijnsel op liet vallen, dan kwam ook de planken vloer in ons huis droog. Het water in onze woning bereikte met het namiddagtij op zondag 1 februari een hoogte van 2,35 m. boven de vloer. Dat was in het halletje van de trap, waar geen golfbeweging was. Dat in aanmerking genomen heeft het water in de Oude Polder een hoogte bereikt van minimaal 3,50 m. + N.A.P. Dat de aannemer het advies aan vader gaf om aanmerkelijk hoger te bouwen dan aanvankelijk werd gepland, daar hebben we menselijkerwijs gesproken aan te danken, dat onze woning is blijven staan en dat wij zijn gered.
De avond viel, het begon weer donker te worden, wat het voor ons nog angstiger maakte.Wat wij niet wisten was, dat vader 's morgens naast de eieren en het brood ook een éénpits peteroliestelletje op de zolder had gezet. Er zat maar weinig olie in. Op een heel laag pitje liet vader het die avond branden, zodat het wat licht op de slaapkamer verspreidde. Voortdurend hoorden we de meubels in onze slaapkamer tegen de zolder bonken. Met het geklots van het water en het geluid van de storm door de bomen was het angstaanjagend. Het was ontzettend spannend. Steeds bleef het water stijgen, zodat vader ons weer moest teleurstellen, maar op een gegeven ogenblik kon hij ons gerust stellen. "Het water is iets gezakt!".
Weer stond ons een lange bange nacht te wachten. Hulp was die dag uitgebleven. Die nacht hebben we nog met z'n vieren op het tweepersoonsbed onder de dekens gelegen. Je moest wel, en we kropen dicht tegen elkaar aan voor de koude. De wind kwam immers door elk kiertje naar binnen. Of iemand van ons die nacht geslapen heeft, ik weet het niet. 's Morgens vroeg stak vader het oliestelletje weer aan. Regelmatig doofde het omdat het katoen de olie niet meer raakte. Een beetje schudden hielp, dan hadden we weer een beetje licht om elkaar te onderscheiden.
Op maandagmorgen zou het weer hoogwater worden, maar de wind was afgenomen. Gelukkig, het water steeg niet meer zoals op zondagmorgen en zondagmiddag. Omdat we het erg koud hadden werd op aanraden van moeder iets gegeten. Ze klopte eieren en deed er fruit door uit de wekflessen die in het kastje stonden. Ze probeerde ons te troosten.

Moeder en Jan
Door moeder werd regelmatig gevraagd: "Marien, wat denk je er van?, Wat denk je, zouden moeder en Jan gered zijn? Ik herinner me dat ik vader een voorstel deed om een laken aan de worstenstok te bevestigen en die naar buiten te steken. Dat hebben we ook gedaan. Niet lang daarna hoorden we een vliegtuigje. Het toestel cirkelde enkele keren over ons huis. Meteen schoven we het raam op en staken het laken aan de stok naar buiten. Het vliegtuigje vertrok en wij waren er vast van overtuigd dat de vliegenier de boodschap over zou brengen.
Een poosje later. Ik hoor het moeder nog zeggen: "Marien, ik hoor een vogeltje". Nu je daar na 50 jaar aan terug denkt weet je pas wat je ouders voor je betekend hebben. Hoe een ouderhart klopt voor hun kinderen.
De golven werden lager, het water werd rustiger. De vierkante witte paaltjes die elke 100 meter langs de weg stonden, lieten hun rode kopjes zien. Ik weet dat vader met mij sprak om te vertrekken als het water nog verder zakte. "Dan nemen we de lange stok mee om voor ons uit te peilen. Er kunnen wel duikers doorgebroken of gaten in de weg geslagen zijn", zo zei vader. We keken door het achterraam en zagen dat we nog wel door een borst water moesten om op de Oudeweg te komen. Die lag ter plaatse nog 30 cm. lager dan de Rijksweg en ons achtererf nog zeker 20 cm. lager. Het bleef ons nog even bezig houden. We liepen regelmatig van voor naar achter over de zolder. Totdat één van ons in de verte iets zag aankomen. Het kwam naderbij. Hoe dichter het naderde, hoe duidelijker het werd. Drie personen met een boot. De mannen hadden lieslaarzen aan. Al trekkende liepen ze naast de boot op iets meer dan een knie water over de Rijksweg. Ze moesten bij ons aan de voorzijde van het huis in de boot om over de sloot en door de ligusterhaag te komen. Toen dat gelukt was riep vader door het bovenraam naar de mannen dat ze aan de zijkant via het slaapkamerraam de trap konden bereiken. Even later stond een van de mannen onder aan de trap en vroeg ons naar beneden te komen.

Gered
Nee, ik weet niet meer wie als eerste naar beneden ging. Wel weet ik dat de jongens ons op hun rug namen. Ook moeder en vader. "Wie zijn jullie?", vroeg moeder. "Wij zijn studenten uit Utrecht", kreeg ze ten antwoord. Vanaf het zijraam voeren we weg. Met zeven mensen aan boord van de roeiboot over de wijde watervlakte over de eens zo vruchtbare akkers naar de dijk. "Kunnen we soms iets raken?", vroegen de jongens aan vader. "Nee", zei vader, ik zal jullie de weg wijzen. Van ons huis voeren we naar de Luijster, een laag weidegebied met kreek, waar toen nog 2,50 m. water stond. Daar was duidelijk meer deining. Het bootje lag diep. Tussen de plaats waar de Luijsterkreek onderdoor de Rijksweg ging en de Oostdijk en de toegangshekken met de betonnen palen naar het land van onze buurman Nico van Westen, staken we de weg over. De boot raakte de weg, maar toen de mannen uitstapten lagen we weer vlot. Aan de andere kant van de weg voeren ze met ons naar de plaats waar kort daarvoor een huis gebouwd was voor hoofdonderwijzer A. Boone.
Er werd niet gepraat onderweg. Ik geloof ook niet dat iemand van ons omgekeken heeft naar onze woning toen we in de boot zaten. We konden begrijpen wat moeder het eerst zou vragen als we aan de dijk kwamen. Wat zij al meerdere keren aan vader gevraagd had, dat vroeg ze ook nu: "Waar is moeder en Jan?". "Die zijn verdronken", zei Jan Ligtendag, de zoon van haar oudste broer Willem. Ze antwoordde nauwelijks. Ze was als verstomd. Als een mes sneed het door ons heen, alleen tot moeder drong het niet door. Drie weken daarvoor was ze haar tweelingzus Janna in Rotterdam, van wie ze zoveel hield, ten gevolge van een ernstige ziekte verloren. Nu haar moeder en broer. We stapten uit de roeiboot en werden begeleid over de Oostdijk en verder over het dijkje langs de Stationsstraat. Buitendijks was het laag water. Binnendijks stond het water op de straten en in de woningen. We kwamen bij het voormalige tramstation bij Gillis Bossers, waar een busje van het Rode Kruis met aan weerszijden houten banken gereed stond om ons te evacueren. Lijn Padmos-Kunst en haar moeder Johanna Kunst Poulusse zaten daar al in. Even werd nog gewacht, maar bijna alle mensen uit het dorp waren al geëvacueerd. Toen reed het busje met zes personen de Slaakdam over naar Noord Brabant.
Te Steenbergen werd gestopt bij het kleine ziekenhuis Charitas in de Kleine Kerkstraat. De slachtoffers die in het omliggende rampgebied werden gevonden werden in een ruimte van het Steenbergse ziekenhuis opgebaard en geschouwd door huisarts Nico Flinkenflögel. We hadden ook met deze oude huisarts een gesprek. Hij had goede contacten met burgemeester Mr. L. de Gou uit Steenbergen en met Toon Everaers. Het schouwen moest gebeuren. Hij was er voor aangewezen. "Het was een luguber werk.Vooral bij de lijken die op een later tijdstip werden geborgen, was het een zwaar werk", zo vertelt de altijd vriendelijke huisarts (85) die met zijn vrouw in de Hoogstraat nog graag in de grote bloementuin rond zijn landhuis werkt.
'Drie kleine bloedjes'
Ook oom Jan Ligtendag lag daar al opgebaard die maandagmiddag toen de Rode Kruisbus in Steenbergen stopte. Vader en moeder namen afscheid van hem, die zijn demente moeder tot de laatste snik aan haar zijde was gebleven. Naast oom Jan lagen drie kleine kinderen van Van Oorschot van de Pelsendijk bij Nieuw-Vossemeer. Toen onze ouders terugkeerden had ik het gevoel dat moeder nog meer onder de indruk was van die kinderen dan van haar broer. "O,o, drie van die kleine kindertjes, drie kleine bloedjes", zei moeder met tranen in haar ogen.
Via Kruisland werden we naar Bergen op Zoom bij de kerk aan het Fort gebracht. In het daarnaast staande patronaat krioelde het van de rampvluchtelingen uit Zuid-Beveland. We kregen  warme soep en brood. Korte tijd later kregen we te horen dat er in de Borgvlietsedreef, dicht bij de kerk, twee gezinnen waren die beiden twee mensen konden inschikken. We werden daar gebracht. Vader en moeder kwamen bij het echtpaar Havermans op nummer 12 terecht. Rinus en ik bij Willem van Olmen op nummer 46. Daar woonde ook dochter To van Olmen die getrouwd was met Rens Franken in huis. Toch werd er voor ons ook nog een kamertje ingeruimd. De spontane hulp in onze West-Brabantse buurgemeenten was bijzonder groot.
Een van de eerste dingen die vader ondernam was, proberen contact te krijgen met onze oudste broer Lauw, die in Rotterdam woonde. Sinds enkele jaren exploiteerde hij in de Watergeusstraat in het stadsgedeelte Delfshaven een waterstokerij. De dag ervoor had hij al naar Toon Everaers in Steenbergen gebeld. Daar was ook Lena Everaers-Neele, die enkel wist dat Opoe en oom Jan verdronken waren. Dat wij toen nog op de Punthoeve zaten was haar niet bekend. Ik moest en zou met vader mee, om tegen Lauw te zeggen dat we nog leefden. Het was voor mij nog steeds een groot wonder dat we niet waren omgekomen. Als ik een bekend iemand of een familielid zag was het voor mij een wonder dat ik ze terug zag. Vele uren oog in oog met de dood leven. Onbeschrijfelijk wat dat voor een mens betekent. Ik vergezelde vader toen hij ging bellen en het lukte meteen om verbinding te krijgen. Hij kon Lauw en Keetje meedelen dat we veilig in Bergen op Zoom waren aangekomen. Van Lena Everaers wisten ze inmiddels dat Opoe en oom  waren omgekomen. Oom Jan is op maandag of dinsdag op de heuvel bij de Protestantse kerk te Steenbergen begraven. Opoe Maatje werd op 5 maart pas gevonden onder het wrakhout bij het huis van J.J. van Nieuwenhuizen, waar zijn zoon Kees nu woont. Vader stond destijds op het vuilnisstort van de gemeente en moest aanwezig zijn bij het identificeren op de plaats waar ze werd gevonden. Hij herkende haar meteen. Mede omdat haar lichaam op deze lage plaats steeds in het zoute water had gelegen, was het in een redelijke staat gebleven. Ze was gekleed. De andere middag is ook zij te Steenbergen begraven. Ouderling Marien den Braber leidde de rouwdienst in het huis van Janus van Herel, op het eind van de Blauwstraat. Later is er nog over gesproken om moeder en zoon te herbegraven op de begraafplaats te Sint-Philipsland, maar door verschil van mening in de familie is dat niet gebeurd.

Naar onze woning
Acht weken duurde ons verblijf in Bergen op Zoom. Al snel werd de dienstregeling van de B.B.A. naar Sint-Philipsland hervat, zodat het via Roosendaal mogelijk was om ons dorp te bereiken. In tegenstelling tot Roosendaal en Steenbergen, kregen de evacués te Bergen op Zoom geen opdracht om in Sint-Philipsland aan de dijken te gaan werken. De oorzaak daarvan was dat er te Bergen op Zoom maar weinig inwoners uit Sint-Philipsland waren geëvacueerd. In Roosendaal en Steenbergen werden kerkdiensten gehouden en hield dokter Menger spreekuur.
De werkmansbussen passeerden Steenbergen, zodat uit beide plaatsen de mensen uit Flipland aan de dijken en bij de opruiming in de gemeente konden gaan werken. Na enkele weken ging ik met vader via Roosendaal naar Flipland. Met een vergunning van de gemeente mochten we voorbij de wachtpost bij Buitenlust naar onze woning. Bij laag water, als de Rijksweg droog kwam, was ook de vloer in ons huis droog. Met vader ben ik eerst poolshoogte gaan nemen, hoe de toestand in en rond ons huis was. De buitenspouw van de achtergevel was zwaar ontzet en is later vernieuwd. Het gemetselde varkenshok was verdwenen. Dat werd ook herbouwd. Ook was er bij ons 50 stuks pluimvee, zoals kippen en eenden, maar ook twee varkens en een aantal konijnen verdronken. De houten gebouwen, zoals kippenhokken en het houten schuurtje, waar tijdens en ook kort na de oorlog de geiten in werden gehouden, waren verdwenen. Binnen viel de schade mee. Al het glas was gesneuveld en ook de deuren waren beschadigd. Het bleek duidelijk dat het 13 jaar oude huis solide was opgezet.
Toen ik eenmaal met vader in ons huis was geweest, was er voor mij geen houden aan. Ik ging voortaan dagelijks naar het dorp, maakte gebruik van de werkmansbussen vanaf Roosendaal en ging ons huis helemaal moddervrij maken. Zelfs de vloerkleden laadde ik op een fiets en spoot ze meerdere malen schoon met een slang aan de waterkraan bij de weegbrug. Ook de regenbak werd met de hulp van vader leeggehaald en helemaal gereinigd. Opnieuw kon het regenwater van het dak weer worden opgevangen. Het hele huis maakte ik in enkele weken helemaal schoon. Op enkele stoelen na, die vader naar boven had gebracht waren al onze bezittingen verloren gegaan. Dat werd echter voldoende vergoed door het Rampenfonds. Ook de schade aan onze woning werd vergoed.

De verwerking
Onze woning trok. Zo dikwijls ik kon ging ik er heen. De politieagenten die bij Buitenlust op wacht stonden kenden mij binnen de kortste tijd allemaal en naar een vergunning vroegen ze niet meer. Begin april zijn we teruggekeerd naar Sint-Philipsland. Ik herinner me dat moeder de evacuatieperiode zonder problemen heeft doorstaan. Zelfs zo goed, dat ik wel eens dacht: "Zou haar dat nou niets doen, al die ellende die we op de zolder hebben meegemaakt en dan in korte tijd nog haar tweelingzus, haar moeder en haar broer verloren". Toen we terugkeerden in onze woning werd dat anders. Ze had geen lust om ons huis in te spannen, geen vloerbedekking, ze wilde geen behang op de muren, moeder kwam in een neerslachtige periode terecht. Vader heeft haar daar uiteraard in gesteund. Hij heeft mij wel eens gezegd: "Laten we er niet tegen ingaan. Het is wel goed dat de vloeren en de muren kunnen uitademen". Na ongeveer een jaar kwam bij moeder de lust geleidelijk terug. Ze had haar verzet weer met de kippen en de andere dieren die we daar hielden en ze kreeg steeds meer zin om haar huis weer netjes te maken. We hadden voldoende vergoeding gekregen om onze woning opnieuw in te spannen. Misschien enkelen uitgezonderd, maar wij zijn er beter van geworden. Niet alleen met de meubilering, maar ook met de vergoeding van de schade aan woningen. Wat een scheve verhouding was, de bewoners op de Oostdijk die de voor het water gevluchte mensen opvingen en haast alle kleding weggaven en wiens interieur, vooral de vloerbedekking ernstig had geleden, dat werd blijkbaar niet gewaardeerd. De schade werd niet getaxeerd noch vergoed.
Na ongeveer een maand ging vader bij de gemeente werken en stond hij op het stort achter de haven waar het meubilair, matrassen, bedden en ander huisraad werd gestort. Vanzelf kreeg ik ook opdracht om te gaan werken. Eerst aan de Zuiddijk, waar ik moest helpen met het aanmannen van zandzakken. Daar bleek ik op mijn leeftijd nog niet tegen bestand. Toen werd ik ingedeeld bij de opruiming in het dorp. Ik begon bij een ploeg in het Karreveld tussen oom Willem Ligtendag en Cent den Braber met het helpen laden van vrachtwagens. Op een morgen toen ik van de bus kwam stond oom Willem Ligtendag mij op te wachten, leunende tegen het etalageraam bij Hendrik Plandsoen. Ik had voor de Ramp al een poosje als leerjongen bij hem gewerkt. Mijn schoolvrienden verdienden heel wat meer met het wieden van zilveruien. Dat verschil was voor mij te groot en voegde me bij mijn schoolvrienden bij 'juunbaes' Andries Neele.
Zoals gezegd, oom Willem stond mij op te wachten of ik bij hem terug wilde komen. Hij zegde mij een aantrekkelijk loon toe. Ik herinner me het nog als de dag van gisteren. Een aantal metselaars uit Sint-Willebrord: Ko, Toon en Jay de Jong. Marijntje Kools en Janus Roks. Ze kregen allemaal een brommertje van oom Willem. Een Mobylette met een aandrijfrol op het achterwiel. We begonnen al snel met de bouw van drie woningen voor Kees en Lien Quist, Chris van der Jagt en Piet den Braber. Verder woningen in de Achterstraat en in de Schoolstraat en het boerderijtje van Willem Wagemaker aan de Zuiddijk. Ook drie boerderijen in de Prins-Hendrikpolder. Het bedrijfje van oom Willem Ligtendag, die voorheen met zijn zoon de nokvorsten van daken wit maakte, een tegelschouwtje maakte en kleine verbouwingen deed, werd in enkele jaren tijds een aannemersbedrijf dat meetelde in de omtrek.
In 1956 kwam ik uit militaire dienst. Het loon voor een opperman was intussen 60 gulden per week geworden. Je loonzakje kreeg je elke week, dat je netjes thuis afgaf. De vakantiebonnen mocht je voor jezelf houden en je kreeg zaterdagscenten. Eerst opperman, later ging ik metselen.
Een halve eeuw is verstreken. De tijd van toen en nu is niet te vergelijken. Na een tijd van passen en meten om rond te komen leven we nu in weelde. We hebben het allemaal goed. De kerken puilden in 1953 uit. De secularisatie in ons land is tot grote hoogte gestegen. Nu lopen de kerken leeg. Normen en waarden worden met voeten getreden. Sinds 1953 zijn we bewaard gebleven voor grote rampen. Laten we daar vooral dankbaar voor zijn.

 

Opa Arie van Loop over de ramp

Uit het begin van de jaren ‘50 heb ik niet zo veel meer in m’n geheugen, maar wel uit het
jaar 1953. Er zijn over dat jaar al zo veel boeken geschreven dat het voor mij niet
makkelijk is er een begin aan te maken, Veel dingen weet ik nog uit eigen ondervinding en
ik heb ook nog wel ‘t een en ander uit die tijd opgetekend, Op 31 januari 1953 had ik de
ochtenddienst tot ‘s middags 2 uur. Het was slecht weer, er woei een harde storm, maar dat
nam je aan boord gewoon mee. Je hebt aan boord van zulk weer nooit gemak. Buiten, op
het water gaat het wel, maar bij het aanleggen geeft het natuurlijk grote moeilijkheden.
Onze ploeg had er die dag 3 reizen op zitten en er was niets bijzonders gebeurd toen we ‘s
middags door de tweede ploeg werden afgelost. We hadden met hen een vluchtig gesprek
over ditjes en datjes, ook natuurlijk in verband met het weer. Het bleef die middag en
avond hard stormen. We hadden wel geen trammelant gehad, maar waren toch blij dat
onze torn er op zat. Toen ik in de namiddag nog eens aan de haven ging kijken, zag het er
niet bepaald gunstig uit.
Lees hier het hele verhaal

 Reactie_Dingemanse_en_familie_Blansjaar_op_kwaadsprekend_persbericht_(2).pdf